|
De intrige is geïnspireerd op het beroemde epische gedicht Orlando furioso van Ariosto. Händels libretto werd geschreven (door wie weten we niet) naar Orlando ovvero la gelosa pazzia van Carlo Sigismondo Capeci, een werk dat Domenico Scarlatti in 1711 toonzette voor een privé-theater in Rome.
Scarlatti’s werk was geen magische opera. Bij Capeci vinden we een bijkomend paar heroïsche geliefden, wiens liefdesgeschiedenis erg verward is, maar geen Zoroastro. We weten ook niet waar Händel of zijn librettist de tovenaar ontdekt heeft, hoewel we zijn naam wel terugvinden in de boeken uit die tijd over Semiramis, koningin van Babylonië. In Händels vier andere magische opera’s (= Rinaldo, Teseo, Amadigi en Alcina) is het hoofdpersonage – een bovennatuurlijk wezen – een tovenares met kwade bedoelingen. Haar magische krachten kunnen de echte wereld verstoren; zij beheersen alles, behalve de gevoelens van de sterfelijke held op wie de tovenares verliefd wordt. Door de intensiteit waarmee Händel de hevige strijd beschrijft die in haar hart woedt, kan het personage rekenen op de sympathie van het publiek en wordt zij een echte tragische heldin. In Orlando daarentegen zijn Zoroastro’s krachten goedaardig, zoals die van Mozarts Sarastro, die natuurlijk dezelfde persoon is. Zoroastro treedt op als een soort van goddelijke psychiater, vastbesloten Orlando te behoeden voor zijn eigen dwalingen, hem te genezen van zijn waanzin, die het gevolg is van zijn onbedwingbare erotisch verlangen, en hem opnieuw zijn ware roeping als ridderlijke krijger te laten volgen.
Het morele oogmerk wordt uiteengezet in de korte inhoud, zoals die in het gedrukte libretto stond: Het doel is te laten zien op welke onweerstaanbare manier de liefde haar gevoelens langzaam laat binnensluipen in het hart van mensen van alle standen, en ook hoe een wijs mens altijd klaar moet staan om hen die van het rechte pad gelokt werden door de zinsbegoocheling van hun passies, opnieuw de juiste weg te wijzen. Zoals we wel konden verwachten, is Händel meer geïnteresseerd in de passies dan in de illusies. Zijn psychologische schets van het leed van de vier sterfelijke personages is uiterst subtiel; zijn muziek is buitengewoon vindingrijk. Misschien is het meest opmerkelijke personage wel de aandoenlijke Dorinda, wiens teleurstelling om het verlies van Medoro’s liefde getemperd wordt door haar gezond verstand en door wat we een zeker gevoel voor humor kunnen noemen.
De grote aantrekkingskracht die het bovennatuurlijke uitoefende op het romantische aspect van Händels verbeelding blijkt uit de hele opera, onder andere in Zoroastro’s prachtige recitatieven in de eerste scène, en ook in het derde bedrijf, waarin de strijkerspartijen krachtig en prachtig genoeg zijn om recht uit Wagners Walhalla te komen.
Een gedurfde muzikale vorm
Wat de vorm betreft, is Orlando een van Händels meest gedurfde en originele opera’s. De componist doorbreekt voortdurend de strakke conventies: de handeling blijft ongemeen intens doorlopen tijdens de georkestreerde passages. De da capo-aria’s behouden hun essentieel belang, maar ze behoren allen, op drie uitzonderingen na, tot het dal segno-model, waarin het da capo het eerste thema niet herhaalt maar er een verkorte of verschillende versie van bevat, of het zelfs helemaal weglaat. Dit kan de betekenis van de herhalingen volledig veranderen; we horen daarvan een mooi voorbeeld in Medoro'’ aria Verdi allori in het tweede bedrijf.
Een aantal bewegingen gaan de da capo-vorm helemaal uit de weg. Naast de acht begeleide recitatieven – talrijker dan in alle andere opera’s van Hândel, met uitzondering van de tragedie Tamerlano – zijn er vijf cavatina’s (= aria’s zonder B-gedeelte), waarvan er één dramatisch onderbroken wordt door een ander personage. De meest opmerkelijke scène – en terecht de meest beroemde – is Orlando’s grote waanzinscène op het einde van het tweede bedrijf, waarin hij denkt dat hij in de hel is. De muziek is een vrije combinatie van begeleide recitatieven en arioso’s, en de finale is een rondo op een gavotteritme. Zij bevat het eerste opgetekend voorbeeld van een 5/8-maat. Qua stijl houdt zij het midden tussen Purcells chromatische basso continuo, en de Furies van Glucks Orfeo.
De drie duo’s zijn allen zeer onregelmatig. In twee ervan horen we de stemmen nooit tegelijkertijd, en in het derde pas op het einde, drie maten lang. Bij het eerste aantreden van Angelica en Medoro heeft Händel de aria voor Angelica die Capeci’s libretto bevatte, veranderd in een duo. Hij laat de eerste vier lijnen zingen door Angelica en de laatste vier door Medoro, om de nadruk te leggen op hun wederzijdse liefde.
In het derde bedrijf, wanneer de waanzinnige Orlando meende Venus te herkennen in Dorinda en een vurige liefdesverklaring afsteekt, zingt hij largo in 3/4, zij antwoordt andante in 4/4 en de beweging besluit met een recitatief. Op het einde van het derde duo grijpt Orlando Angelica hardhandig vast en werpt hij haar in een grot. Het eerste bedrijf besluit met een verfijnd, heel mooi trio aarin Angelica en Medoro trachten Dorinda te troosten, die ziek is van liefdesverdriet. Ter conclusie van de opera combineert Händel een kwartet van de vier sterfelijke personages en het coro in een lange finale.
Het orkest telt niet veel leden, maar laat toch een zeer gevarieerd klankspectrum horen, van Orlando’s Non fu già men forte Alcide in het eerste bedrijf, met een rijke textuur die aan een hoorn doet denken, over de ijle verfijning van de strijkerspartijen die Zoroastro’s toverkunsten in het derde bedrijf begeleiden, tot de buitengewone klankkleur van Orlando’s slaaparia, geschreven voor twee violette marine (een soort viole d’amore) en een pizzicato van de bassen.
Winton Dean
Copyright Vlaamse Opera / Annemie Augustijns
|
|