|
"La Bohème", subliem beheerste pathetiek
OPERA
Van onze medewerker
Peter Vermeersch
14/06/2001
GENT -- Ik wil toegeven dat ik heb gehuild. Maar daarover hoefde ik me niet eens te schamen; het grootste deel van de zaal zat te snotteren. Onze emotie was ingegeven door de sublieme regie van Puccini's doorgaans zo jammerlijk afgezaagde La bohème. Iedereen op het podium -- en in de orkestbak -- presteerde ook navenant. Een zoete en onmetelijke vorm van ontroering, kortom.
Derde bedrijf. Naaistertje Mimì heeft haar vlam Rodolfo (een niet bijzonder succesvol dichter) aan de deur gezet. Maar na de zoveelste ruzie komt ze hem toch weer opzoeken aan de stadspoorten van Parijs. Daar runt zijn boezemvriend Marcello samen met zijn vlam Musetta een niet volstrekt deugdelijk café.
De uitgepuurde regie van Robert Carsen -- steeds geholpen door de minder dan minimale decors van Michael Levine -- maakt dit alles tot een ware parel. In deze productie ontpoppen alle zangers zich tot uitstekende acteurs. En daar ging dus mijn eerste traan.
In het eerste bedrijf komt Mimì slinks en zeer berekend aan de deur van Rodolfo's zolderkamertje aankloppen. Ze hoopt hem in haar netten te strikken en op die manier deel te kunnen uitmaken van zijn liederlijk en -- voor een buitenstaander zo aanlokkelijk -- ,,vie de bohème''. Ze vliegt aardig in de drank. In tegenstelling tot vele andere ensceneringen is zij dus volstrekt geen duts, maar een sterke vrouw. Nu alcoholica. Maar hij tuttert net zo zwaar aan de fles.
Eerst vraagt ze hem de schamele bezittingen die ze bij hem achterliet, een armband en een gebedenboek, terug te bezorgen. Maar ze verzoenen zich, ze zal bij hem blijven tot de lente.
Dirigent Massimo Zanetti, muziekdirecteur van dit huis, begon de opera heftig en nerveus, maar begon dan het alomtegenwoordige sentiment uit te melken. Hij gaat daarin echt wel heel ver, maar blijft steeds aan de goede kant van de grens met de wansmaak. Uiterst nipt, maar buitengewoon vakkundig. Zelden heb ik Puccini tegelijk zo plat en waardig kunnen horen. Het orkest genoot hoorbaar van deze aanpak en speelde begeesterend mooi.
Lente, evenwel. Vierde bedrijf. Centraal op het podium het wel heel erg kleine zolderkamertje van Rodolfo. Daaromheen een zee van gele bloemen. Hij en Marcello zijn door hun respectieve lieven bedankt voor hun diensten, maar na een klaaglijk duet dienaangaande (waarin de Poolse bariton Mariusz Kwiecien andermaal de allerbeste op het podium blijkt), komen die twee weer tevoorschijn. Mimì heeft zich inmiddels herschoold tot courtisane, en is nu de dood zeer nabij. Ze wil sterven in de buurt van haar vlam.
Een waardige tranenvloed van mijn kant.
Het centrale paar wordt vertolkt door twee Australische zangers, Cheryl Barker en Julian Gavin. Zij heeft een sterke, maar zerpe stem; hij raakt pas goed opgewarmd in het tweede bedrijf, zodat de succesaria ,,Che gelida manina'' uit het eerste een minzame puinhoop wordt. Gavin heeft een aangename, maar te neuzelige stem. Zoals al gezegd worden alle zangers in deze productie rasacteurs, zelfs zonder enig spoor van stem hadden ze hier indruk kunnen maken.
De Canadese sopraan Rebecca Caine is een goede Musetta; de Poolse bas Daniel Borowski (Colline) en bariton Werner van Mechelen (Schaunard) zingen heel keurig, maar missen bovenal kleur in hun stem. Bas Piet Vansichen is overtuigend in zijn dubbelrol (Benoit/Alcindoro) van bejaarde geilaard.
Maar zelfs als u en ik de hier de hoofdrollen hadden moeten invullen, was dit een uitzonderlijke voorstelling gebleven.
©opyright De Standaard
Copyright Vlaamse Opera / Annemie Augustijns
|
|